12-06-2024

Onlangs heb ik, na jaren twijfelen, een bodemvochtsensor aangeschaft. Dit apparaat meet de zuigspanning in de grond, een indicatie in welke mate wortels vocht uit de bodem kunnen aantrekken. Het is een zogenaamd ‘beslissings-ondersteunend-systeem’. Dat wil zeggen, een hulpmiddel naast je gewone boerenverstand. Sommige dingen kun je (letterlijk) op je klompen aanvoelen, maar soms is een bevestiging van je vermoeden wel fijn.

Vóór de aanschaf heb ik me georiënteerd op verschillende systemen. Er zijn legio apparaten te koop, de ene nog geavanceerder dan de andere. Uiteindelijk heb ik een keuze gemaakt en de andere partij hierover geïnformeerd. Heel sportief nam deze partij contact met me op om mijn keuze te bespreken. Dit was een prettig gesprek waarbij we het over veel dingen eens waren. De vrouw in kwestie gaf aan dat hun product zich onderscheidt van anderen. Dat zij een veel uitgebreider beregeningsadvies geeft waardoor ik mijn teelt optimaliseer en beter de maximale opbrengst kan halen.

Deze twee punten moeten ondernemers als muziek in de oren klinken. Al kun je bij de maximale opbrengst al discussiëren over de kilogram opbrengst of de netto financiële opbrengst. Deze twee kunnen veel verschillen. Ik moet hierbij denken aan wat een coach wel eens tegen mij zei in het streven naar perfectie; de laatste 5% van je eigen ‘productie’ kost je misschien wel 20% van je tijd of energie. Met andere woorden; je kunt misschien die tijd beter ergens anders aan besteden, zodat je in de breedte een beter resultaat haalt. Dat is met het telen van gewassen niet anders.

Maar vooral het ‘streven’ naar die maximale opbrengst liet me niet los. Ik vind het daarbij van belang om niet te kijken naar één jaar maar naar de lange termijn. Ik zie het als een cyclus waar je in terecht komt. Iets eerder oogsten en tevreden zijn met een minder dan maximale opbrengst. Waardoor het volggewas ook eerder, meestal onder betere omstandigheden, gezaaid kan worden. Dit heeft dan ook weer een positief effect op de groei, het wortelgestel en de bodem in het algemeen. Op veel (zand)gronden speelt dit effect misschien minder maar op onze zwaardere kleigronden maakt werken onder goede omstandigheden wél een verschil.

Bij de keuze voor tarwerassen kies ik al jaren structureel voor de vroege rassen. En niet voor de rassen met een potentiele hogere opbrengst. Bij de suikerbieten kies ik een ras dat de grond snel bedekt en redelijk vroeg een hoog suikergehalte heeft. En ondanks de late zaai dit jaar, heb ik toch aangegeven in oktober te willen leveren. De bietenteelt zal dit jaar dus geen topper zijn. Kijk ik echter naar het gemiddelde van de afgelopen jaren, dan ben ik tevreden met de resultaten. Voor alle gewassen kom ik in aanmerking voor extra bemestingsruimte vanwege bovengemiddelde opbrengsten. En daardoor kun je de zaken op peil houden. Maar dit kan alleen als er géén uitschieters naar beneden bijzitten. Over een positieve cyclus gesproken.

En wat betekend in dit geval dan de maximale opbrengst? Voor mij is dat een constante, (boven)gemiddelde productie, bedrijf breed. Waarbij ik ook de input in ogenschouw neem. Lees daar meer over onder het kopje ‘stikstofvoorziening uit kunstmest’ in deze blog: Wat eet je eten?

groenbemester maaien akker vergroening nkg